Tapdienst

NBIP fungeert als een centraal loket voor lastgevers van vorderingen. In de praktijk betekent dit dat bevoegde lastgevers contact zoeken met NBIP als zij een vordering hebben voor een deelnemer aan de Tapdienst. NBIP draagt vervolgens zorg voor de technische, juridische en administratieve aspecten van deze verzoeken.

Aanbieders van openbare elektronische communicatiediensten of -netwerken moeten gegevens over klanten kunnen verstrekken of een tap kunnen plaatsen als dat wordt gevorderd door instanties die daartoe wettelijk bevoegd zijn. In Nederland is de wettelijke grondslag hiervoor vastgelegd in hoofdstuk 13 van de Telecommunicatiewet en de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv).

De bevoegdheden van de opsporingsdiensten zijn beschreven in het Wetboek voor Strafvordering, Boek I, artikelen 126m tot en met 126nb. In artikel 126m SV is de telefoon- en internettap vastgelegd als een bijzondere opsporingsbevoegdheid. 

Deze bijzondere opsporingsbevoegdheid kan volgens de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden (Wet BOB) alleen worden ingezet op basis van deze drie titels:

    1. Er moet een verdenking zijn dat een misdrijf is begaan (titel VI a);
    2. Er moet een redelijk vermoeden dat misdrijven, zoals omschreven in artikel 67 lid 1 Sv,
      • In georganiseerd verband worden beraamd
      • of gepleegd die gezien hun aard of de samenhang met andere misdrijven die in dat georganiseerd verband worden beraamd
      • of gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren (titel V)
    1. Er moeten aanwijzingen zijn dat er een terroristisch misdrijf wordt gepleegd (titel V b)

NBIP ontvangt namens de aangesloten deelnemer de vorderingen en controleert ook of de inhoud van de vordering volgens de wettelijke eisen is opgesteld. Wanneer dit zo is, zorgt NBIP namens de desbetreffende deelnemers ervoor dat tijdig aan de vordering wordt voldaan. Mocht een vordering toch niet voldoen aan de gestelde eisen, dan wijst NBIP de verzoeken af en stelt de aanvrager hiervan op de hoogte.

Alle werkzaamheden die NBIP uitvoert bij het aannemen, verwerken en uitvoeren van vorderingen, gebeurt met strikte naleving van de wetgeving en onder strenge veiligheidsmaatregelen om de vertrouwelijkheid en integriteit van de gegevens te waarborgen

Dossier: eEvidence

De aankomende wetgeving rondom eEvidence zorgt ervoor dat bevoegde justitiële autoriteiten uit lidstaten van de EU in principe per 18 augustus 2026  rechtstreeks toegang tot elektronisch bewijs­materiaal (e-evidence) kunnen opvragen bij aanbieders van digitale diensten in andere Europese lidstaten. De aanbieders moeten dan binnen 10 dagen (nu: 120 dagen) de verzochte informatie en/of gegevens verstrekken en in sommige gevallen binnen 8 uur. De verwachting is dat het aantal verzoeken voor aanbieders gaat toenemen.

De achtergrond van eEvidence

Volgens de Europese Commissie wordt inmiddels bij meer dan de helft van alle strafrechtelijke onderzoeken het verzoek ingediend door instanties om elektronisch bewijs (‘e-evidence’) te verkrijgen. Denk hierbij aan e-mails, chatberichten en accountinformatie. Dit wordt ook wel historische gegevens genoemd. Het verkrijgen van deze gegevens is echter een langdurig juridisch proces als deze gegevens staan opgeslagen op servers die zich in andere Europese landen bevinden. Daarom heeft de Europese Commissie een verordening en een richtlijn voorgesteld onder de noemer van eEvidence. Beiden zijn aangenomen door het Europees Parlement. De richtlijn moet in 2026 zijn omgezet door lidstaten en de verordening wordt op 18 augustus 2026 van kracht in de gehele EU.

Waar bestaat eEvidence uit?

De verordening werkt rechtstreeks, wat wil zeggen dat deze niet wordt omgezet in nationale wetgeving maar rechtstreeks in de lidstaten van kracht wordt. Dit gebeurt op 18 augustus 2026.

Binnen de verordening is de juridische basis vastgelegd voor het feit dat bevoegde instanties toegang krijgen tot de opgeslagen gegevens binnen een lidstaat. Dit valt onder het verstrekkingsbevel. Hierin staat ook dat aanbieders binnen 10 dagen, of in dringende gevallen binnen 8 uur, antwoorden moeten verstrekken. Op dit moment geldt hier nog een tijdsduur voor van 120 dagen bij een verstrekkingsbevel en bij de procedure voor wederzijdse rechtshulp geldt een periode van tien maanden.

Met het bewaringsbevel wordt voorkomen dat een aanbieder elektronisch bewijs­materiaal wist terwijl het verstrekkings­bevel nog in behandeling is.

Voor wie geldt eEvidence straks?

Het eEvidence-wetgevingspakket geldt straks voor aanbieders die de volgende diensten aanbieden:

  • elektronische communicatiediensten
  • internetdomeinnamen en IP-nummering
  • communicatie-, opslag- en verwerkingsdiensten, waaronder social mediaplatforms, hosting platforms en gaming diensten.
eEvidence in de praktijk

In Europa wordt een eEvidence-platform ontwikkeld, waarbij in iedere Europese lidstaat een aansluitpunt is voor de toegang, het verzenden en ontvangen van verzoeken. Dit platform zal door zowel de aanvrager als de verstrekker worden gebruikt.

eEvidence & NBIP Tapdienst

NBIP verwacht dat door eEvidence het aantal lawful disclosure bevelen toeneemt. Aanbieders die in andere lidstaten diensten leveren, moeten voorbereid zijn op eEvidence en bevelen kunnen verwerken. Zij moeten zich daartoe onder meer registreren en vrij specifiek aangeven welke diensten zij leveren. De verwachting is dat meer partijen zich bij NBIP gaan melden om aan eEvidence te kunnen voldoen. Daarom wordt de Tapdienst zo ingericht dat straks ook eEvidence-bevelen voor deelnemers van NBIP worden verwerkt. Daarbij is de insteek om enerzijds de bestaande operationele en juridische expertise op het gebied van lawful disclosure binnen NBIP in te zetten om deelnemers snel en effectief compliant te maken.

Tegelijkertijd zullen nieuw opgedane ervaringen en juridische kennis gedeeld worden met deelnemers in een nog op te zetten werkgroep specifiek voor dit thema. Vanzelfsprekend blijft de gemeenschappelijke, non-profit benadering met oog voor zowel de belangen van deelnemers als stakeholders hierbij het primaire uitgangspunt.